In
juni mocht je weer naar school. Elke ochtend vertrok je met eerlijk enthousiasme. Sam naast jou in de bakfiets. Je begeleidde haar met de fierheid van een jonge pauw richting crèche. Aan je eigen schoolpoort werd je weer klein en kwetsbaar. Met Apie en Woef, je kompanen van de ronde tafel, ridderlijk in je armen, liep je aarzelend in de armen van juf Nathalie. ’s Avonds liet je haar weer los met de bevrijdende mededeling dat het heel leuk was. Deze rituele dans van fierheid over kwetsbaarheid naar verwondering dat het toch nog leuk was bleek je houvast te zijn. Op de laatste schooldag wuifden de juffen jullie uit aan de poort vergezeld van een vrolijk liedje om het afscheid te verzachten. Juf Nathalie op haar hurken om elke kleuter die het wou nog te kunnen knuffelen. Haar glimlach vol liefde verborgen achter een elegant mondmasker, haar tranen zichtbaar. Helden zijn ze geweest, die juffen. Je moeke en ik moesten wachten van jou tot het liedje gedaan was. Je wou nog één keer naar juf Nathalie, nog één knuffel. Wat later aan de fiets barstte je in tranen uit.
’s Avonds in je bed met je hoofd op Apie en met Woef in je armen zei je: ‘Mama, ik wou elke dag kort bij juf Nathalie zijn.’ Ik zei: ‘Ik weet het wel jongen maar je kon toch elke dag kort bij haar zitten’. ‘Dat ging niet mama want ik moet op de schoentjes zitten en die zijn veraf. Alleen vandaag, omdat het de laatste dag is mocht ik de hele tijd naast haar zitten. Ik mis haar nu al.’
Dirk Van Duppen schreef in ‘Zo verliep de tijd die me toegemeten was’ dat wij mensen de enige sociale groepsdieren zijn die niet kunnen overleven en reproduceren zonder de zorg van anderen. Wij zijn geselecteerd op vriendelijkheid, anders zaten we hier niet.
‘The survival of the friendliest’. Ik word meer en meer een ‘believer’ van deze gedachte.
Ondertussen leven wij verder in bubbels. Het woord alleen al neigt naar science-fiction. Het is niet echt aan mij besteed. De bubbels als in Champagne of Proscecco liggen me meer. Jij en Sam groeien vol en vrij, geen weet van bubbels allerhande.
Sam breidt ondertussen haar woordenschat verder uit. Naast het welgekende ‘Ja, ja en nee,nee komt er nu ook Auw (dat is piin) en Blubeble -je zou denken dat het bubbel is maar ze bedoelt Bumba- bij. En Nuna (dat is Moedie) en kotekot (dat is kip). En Mona (dat is Mona). Ze wandelt elke ochtend met haar Nuna naar de kotekot. Onderweg hoor je haar bevestigend repliceren op elke vraag die Moedie stelt: ‘Ja, ja’.
Jij stapelt je vragen en bedenkingen op.
Jij en je vriend Léan zitten bewonderend te kijken naar je nonkel Joeri die de klapband van de auto repareert. Vooral zijn gespierde armen vormen de blikvanger. Als hij die klus op tien minuten geklaard heeft vraag je hem of hij misschien ook de wereld kan repareren.
‘Soms gaat het niet zoals je het wil éh mama’. Ik heb dat van Seb geleerd en die heeft dat van zijn mama geleerd. En ik leer het nu aan jou. Leer jij het dan ook aan moeke, dan weet die het ook’.
“Kan je bij de maan komen? Die kost zeven éh, mama?”
“Als je een warme steen in het water doet, wordt die dan terug lava?”
Ik hoor je moeke pogingen doen om op al je vragen te antwoorden. Ze volgt ook al je rituelen voor het slapengaan. Raadsels vertellen terwijl je op het potje gaat. Iedereen insmeren met citroenmelisse tegen de muggen, ook Apie en Woef. Daarna de drie K’s afwerken (kus, knuffel en kruisje). Ze doet dat vanuit de reflectie dat niet alles gaat zoals je het wil en vraagt me ’s avonds of we die ritueeltjes niet een beetje kunnen afbouwen. We leven in een zorgzame bubbel, je moeke en ik.
En ik blijf me verwonderen hoe jij de wereld verkent. Als we de Nespresso winkel in Leuven binnen stappen, sla je plots je hand voor je mond. Je maakt me duidelijk dat dat je mondmasker is. Als we naar buiten stappen, roep je me terug want ik ben vergeten ‘een gelleke’ te doen. In de bakfiets zie ik je met je handen draaien en hoor ik je zeggen dat het nu tijgerklauwen zijn. Als ik de bakfiets opendoe, draai je ze weer terug want tijgerklauwen zijn gevaarlijk. “Dat is magisch, mama.”
Jij en Mona nemen Sam mee op sleeptouw. Jullie verkennen met haar het ridderpark (lees, de kruisweg in het Mariapark in Lommel). Jullie parkeren je fiets bij het graf van je Vake, geven zijn foto een kus en roepen: ‘Kijk Sam, dat is Vake, geef hem maar een kusje.’ Sam volgt jullie, loopt, klimt, weent, staat op, zegt ‘auw’ en loopt weer verder. Mona speelt Mega Mindy, jij Mega Toby en tante Griet, duidelijk niet gediend met de regie uit handen geven, speelt immer de boef.
’s Avonds bij het slapen gaan vertel je me een geheim dat ik aan niemand mag vertellen. Je bent verliefd op tante Lies. ’s Morgens bij het ontbijt ga je verlegen bij haar staan en beken je het stilletjes zelf. Er zit een rode draad in die verliefdheden van jou: ‘blond, zacht en zorgzaam’. Ik herken dat.
The survival of the friendliest’.
De wereld valt te repareren, daar blijf ik in geloven.
Zo mooi gezegd Chriska! 😘
LikeLike