De zomer is weg. Af en toe piept de zon nog door een fragiel wolkendek maar de facto is het afscheid nemen van de warmte. Ik treur wat in mijn lijf en leden. Ik mis de hitte die tussen mijn spieren kruipt en zich ergens nestelt in mijn lijf. Ik vraag jou meer dan in de zomer of het geen knuffeltijd is. Jij zegt meestal van niet. ‘Ik ben toch aan’t spelen mama’, en je fronst daarbij je wenkbrauwen alsof een bruine beer je dat geleerd heeft.
Vorige week maakte je, dacht ik, je eerste grapje. Maar het was bloedernstig toen je zei dat je geen babysit wou want die zou op Sam gaan zitten.
Vandaag ben je met je moeke naar de dierentuin geweest. Je hebt me wegwijs gemaakt in het grondplan van Planckendael. Je wist exact te vertellen dat de bizon die ik herkende op het plan, eigenlijk een dromedaris is, want één bult te bespeuren. De pinguïns kregen eten net op het moment dat jij voorbij liep. Je vertelt honderduit ’s avonds aan tafel. Je had frietjes gekregen van je moeke. En moeke had een broodje dat smost. Ik was zo jaloers.
Sam is helemaal niet in een dierentuin geweest vandaag. Ze surft op haar dagelijkse routine van kribbetijd. Voor Sam is het nog elke dag een beetje Kerstmis. Jouw kleine zus laat zich het leven welgevallen op een manier die mij zelfs jaloers maakt. Die Sam leeft zo in het nu. Helemaal in haar kern. ‘No goeroe, no method, no teacher’. (Van Morisson, 1986)
Ze kijkt zo naar je op. Je hoeft niet veel te doen om haar gelukkig te maken. Je praat met haar en ze begrijpt jou.
Toen ik je vorige week vroeg: ‘Wat heb je vandaag gedaan in de turnles bij juf Katrien?’, antwoordde je gevat: ‘Borra-twjempel-ktrezip en daarna sjeeg, tsjambil, traski’ samen met Léan en ‘toen ging de bel en moesten we weer naar het klasje’. Ik repliceerde met geveinsde interesse dat het nogal eens een boeiende turnles was dan.
Daarna heb je met juf Nathalie geleerd over de monsters en hun gevoelens; je kwam thuis met een rode en een gele kroon. De ene zocht de boosheid op, de anders was gewoon blij. Je zet ze nog elke dag afwisselend een paar keer op.
En toen ik vroeg: “Leer je over gevoelens dan Casje op school”; zei je ernstig: ‘Ja, of ook over emoties’. En toen ik verder vroeg: ‘vertel es?’, zei je: ‘Borra-twjempel-ktrezip en sjeeg, tsjambil, traski.
Borra!
De voorbije zomer beslisten je moeke en ik om niet op vakantie te gaan. Althans niet meer in de vorm van de kaart lezen, zoeken naar welke bergen we kijken en hoe we eventueel toch aan een zee kunnen geraken. Je moeke verzandt soms in vakantie zonder ‘haar grote bad’.



Sinds kort spelen er nog twee andere vrouwen een hoofdrol in je leven. Ze nemen heel wat van je tijd in beslag en je vindt alles aan hen leuk.

Je leeft zo kort bij de grond. Een mier in Frankrijk blijkt evenzeer de moeite om voor door de knieën te gaan, observatiemateriaal wat ook gewoon in België te vinden is. Je lacht dezelfde guitige glimlach als je je voetje erop zet en kordaat zegt: ‘Die is dood’. Je moeke en ik reden dus een kleine 900 kilometer om dit te mogen beleven. Ik herval samen met jou in Belgische gewoontes. Ik drink een biertje en doe de zoveelste poging om niet te roken.