
Elke avond als ik jullie te slapen leg dan vertellen we nog even in bed kleine verhalen aan elkaar. Zo even, als de stilte eindelijk mag, nog even in de dag duiken. Kritisch-reflectief schouwen we over onze belevingen. Soms zijn ze aangenaam, soms moeten we iets bijleggen. Jij vraagt naar de essentie van de dingen zoals: ‘waarom is die oorlog nog niet gedaan, mama?’. En weet je dat in het oude Egypte Osiris de God van de doden is?’. ‘Neen Cas dat wist ik niet.’ ‘Weet je dat in het zonnestelsel eigenlijk niets is, behalve de zon zelf?’ Dat is de belangrijkste ster van allemaal.’ ‘Neen Cas, dat wist ik niet. En hoeveel sterren zijn er dan zo, denk je?’. ‘ Ik denk zeker achtduizend of zo.’
Sam gooit het over een andere boeg. Ze blikt terug op de kerstdag op school. ‘Alles was even leuk, mama. Ik wou dat het nog veel langer duurde. Zo lang als naar de andere kant van de wereld en terug naar de klas van juf Sabrina en juf Hillie.’ Ook jij kon maar geen afscheid nemen van je school. De speelplaats trekt. Nog vlug een knuffel voor je meester. Een intieme omhelzing van zijn benen. Ik herken je moeke zo hard in jou. Geen afscheid kunnen nemen van geborgenheid. Hoe sterk kunnen die genen toch zijn. Ondertussen introduceert Sam dat ze wil gaan slapen. ‘Je mag beginnen zingen mama. Slaap Sammetje slaap. Het schaap heeft alle kleuren voetjes. Het eerste is geel en het laatste is regenboogvoetjes, ok mama?’
Na vijf kleuren-voetjes voel ik ze in slaap vallen. Terwijl ik stilletjes naar beneden ga hoor ik jou je lichtje weer aanknippen en weer in een Jommeke duiken. Lezen om niet meer te moeten nadenken. Ik ken dat, herken dat. Ik doe alsof ik het niet hoor. Plots hoor ik je lachen omdat Sam nog even probeert te zingen van ‘een bakske vol met stro’.
Vanmorgen gingen we naar de kerstviering in de mooie kerk van het begijnhof in Leuven. De kerk waarin je moeke en ik trouwden. Jij kreeg meteen een herdershoed aan en Sam was een engeltje. Het deed deugd om nog eens samen in gemeenschap het kerstfeest te vieren. Je hoeft de mensen niet te kennen om samen te vieren. Om samen te rouwen ook niet trouwens. Als we stille nacht horen zingen en geen zin gezongen krijgen, enkel tranen. Tranendal is meer dan ooit. Geen plaats in de herberg voor zo velen, geen stille nacht omdat er bommen vallen in het Heilig Land, geen vrede op aarde omdat we er blijkbaar niet toe in staat zijn, de mensheid.
En jullie spelen. Spel bouwt jullie tot wereldburgers. Jullie toveren ons huis om in eilanden van water en grond en lava. De knop om in een knip deze werelden te laten leven zit ergens aan een poot onder onze witte, ronde tafel. De lamp links is de maan, de lamp rechts is de zon. Jullie knipperen die aan en uit op het ritme van Legomasters in de weer met wereldvrede. Jij bent jezelf en Sams speelt Patotter. Patotter is superklein en dik. Ze heeft drie haren op haar hoofd. Het varken is haar lievelingsdier en haar voeten stinken als een jakhals die te veel knoflook heeft gegeten.
Als Sam het beu is om Patotter te spelen wordt ze weer Sam. Ik hoor haar vragen:’ Cas, wat gaan we nu spelen?’. ‘Aardschildpad! Maar jij mag eerst.’
Ik las vandaag in de krant dat achtduizend kinderen stierven in Gaza. Achtduizend sterren die een naam hebben zoals Abdel of Fatima of Yousef of Mariam of Amal of Omar of Ramy of Fadi of Bassam…..
In het zonnestelsel is bijna niets… bijna.