Op weg naar Pasen 08 april – 2023

De weg naar Pasen, voor de ene een weg van verstilling, voor de andere een weg naar nieuw leven, naar nieuwe plannen of lichtjes andere plannen. Augustinus’ beschouwingen kondigden het aan als een tijd waarin we met ‘het hoofd in de hemel vertoeven maar met de voeten op de grond’.

Wij trekken erop uit met een gehuurd camperbusje. De grote droom van je moeke. Helemaal in haar eigenste nopjes, focus op de weg, ogen richting aarzelende zon, hart op de immer juiste plaats. Het busje is ons huis voor de komende week. De omgeving wisselt, de tuinen rondom het huis verleggen zich op het meanderend ritme van de rivier. De inwoners van het nieuwe huis ken ik al langer.

Pasen maakt wegen vrij naar de kern van de dingen. En die is ‘stil en eindeloos’, dichtte Timmermans.

Op weg naar Pasen, huppelt ook de haas mee. In het jaar van de haas trekt hij zelfs een extra sprintje. Kwetsbaar op een open veld rent hij heen en weer. Sterk schenkt hij zijn nest aan wie verloren loopt. Hij is gastvrij voor andere dieren, hij leent zijn nest vaak uit.  

Ons nest is klein en kwetsbaar. Tien vierkante meter ongeveer geeft ons de volgende week ruimte om dicht bij elkaar te zijn. Als het regent kruipen we dicht bij elkaar. Het kleinste streepje zon lokt ons naar buiten. Een schaal met hout vuurt warmte aan. Nodige warmte, deelbare warmte voor wie het nodig heeft.

We lezen ‘Kikker en het vogeltje’ van Max Velthuis. De dieren zoeken een rustplaats voor het vogeltje. ‘Wat is er met het vogeltje? Is die echt kapot?’ vraagt Sam. Cas fronst even zijn gouden wenkbrauwen en wrijft over zijn sproetenneus: ‘ Die is niet kapot hoor Sam, die is dood.’ Maar dat is niet zo erg want Vake is ook dood en als hij verjaart dan vieren we feest in ons hart, toch?’.

Sam anticipeert door over iets anders te beginnen. Namelijk dat ze zo meteen weer naar de speeltuin gaan. Want ze hebben nieuwe vrienden gemaakt op de camping. Vooral Sam maakt vrienden en Cas volgt. Sam bedenkt het spel van stenen en heksen, van het paard waar je van valt, van de dokter die je dan moet roepen. Van de weg die je moet gaan: ‘ik ga zo over die weg éh Cas, maar jij weet dat nog niet. Dus… je moet seffens zeggen dat ik zo moet gaan’. ‘Ok’, zegt Cas maar jij bent dan de boze patotter en ik de boze broer?’ ‘Ja maar Cas… we moeten eerst nog komen van het weggetje en ik was nog in mijn holletje. En ik moet nog wenen. Dat is toch ook leuk?’. En Cas volgt.  Sam zet een kleine hysterische combinatie neer van Cruella De Ville en Annemie Struif als ze haar zin niet krijgt. Ze krijst decibels hoog en gooit zich hulpbehoevend op de grond.  Als ik me dan boos maak zegt Cas: ‘Niet boos worden mama, ze zit in haar unicorn-fase.’

Je moeke glimlacht, blijft rustig bij het hele tafereel. Je moeke is helemaal anders in de wereld van kamperen, van leven met de natuur. Met de stand van de zon en de maan is ze helemaal wie ze wenst te zijn. Wij zijn een team, je moeke en ik. Ook nu, tussen vrieskou en glimpjes zon, tussen schijn van het vuur en de maan. Het ruisen van de rivier klinkt zachter als je vertrouwen hebt.

Zo… op weg naar Pasen.  In het busje mijn gezin. Buiten het busje, de natuur. Meer moet dat niet zijn.  En ik…ik balanceer op de touwen van weemoed en warmte.

Met het hoofd in de hemel en met de voeten op de grond”

Plaats een reactie