Ik duvver niet  09 december – 2022

De spanning van Sinterklaas hangt nog in de lucht en tussen de gordijnen in ons huis. De man werd verwacht met een urgentie die je normaal gezien alleen ziet als iemand dringend naar het toilet moet. Jij hebt alle voorbereidselen tot in de puntjes getroffen: van tekeningen maken, tot brieven schrijven, tot snel gaan slapen, tot mij ontroeren bij elke kleine stap die je zet richting Harry Potter trein van Lego.

Sam wandelt en danst haar ondeugende stappen, flirtend tussen echt braaf en georkestreerd in de pas lopen. Haar ogen nog ondeugender dan haar tred. Toen ik haar vroeg of ze Sinterklaas op school een handje had gegeven, gaf ze eerlijk toe: ‘Ik duvver niet en de roetpiet duvverde ik ook niet.’

Jij bent nu een eerste-leerjaar-man. Je geniet van alles wat er te leren valt. Je duikt in de letters en cijfers alsof het je natuurlijke biotoop is. Je kijkt op naar je juf. Wat zij zegt, klopt altijd. Jouw hart klopt voor je Grasmus school. ‘Ik heb een leuke school, mama’. Je leest boekjes voor aan Sam. Je goochelt met cijfers. Je stelt je duizend vragen.

Jij en Sam filosoferen.

Sam: ‘Let op Cas, uw servet gaat in de wereld vliegen’

Cas: ‘We zijn toch in de wereld’

Sam: ‘Neen, de wereld is in de wolken’

Je moeke en ik luisteren met heimwee naar de tijd die jullie nemen voor gesprek. Als wij dat proberen laaft de tijd zich aan jullie.

Jullie vatten het leven soms eenvoudig samen.

‘Ik voel dat ik een aardbeiendrankje moet drinken. Mijn nieren zeggen dat.’

‘Een klavertje nul, bestaat dat ook?’

‘Waarom ben ik hier?’ ‘Uit liefde, denk ik’

Toen we onlangs samen in de Colruyt waren, vroeg je: ‘Mama, waarom heet dat eigenlijk Colruyt?’ ‘Omdat meneer Colruyt met die winkel begonnen is, Casje. Hij heeft daar zijn naam aan gegeven, zei ik’. ‘Ah, zei je. Ik dacht al. Want het had toch ook Colvierkant of Colcilinder of Colrechthoek kunnen zijn?’

Je vraagt je ook af wat uitlachen betekent. Als ik het je zo goed en zo kwaad mogelijk probeer uit te leggen, zeg je: ‘ik dacht het wel. Want als ik op school met iets grappigs lach van mijn vrienden, dan is dat toch niet uitlachen éh mama?. ‘Neen, Casje dat is het niet.’

Op school leerde je over mensen die blind zijn. ‘En als ze niet kunnen spreken, dan noemen we dat stom, éh mama?’ ‘Ja, dat klopt Casje.’ ‘Maar jij zegt toch altijd dat ik nooit tegen Sam mag zeggen dat ze stom is.’

Ik probeer je uit te leggen dat het woord stom twee betekenissen kan hebben. ‘Maar mama, als ik dan tegen Sam zeg dat ze stom is. Hoe weten jullie dan welke betekenis ik bedoel?’

Ondertussen organiseert Sam haar eigen afscheidstournee van haar zeven tutten. Van de tuttenboom naar de tuttenfee met verlengde voorstellingen op Sinterklaasdag. Toch liggen er nog altijd zeven tutten in haar bed.

Sam plukt de dag met snuffels in de hand en tutten in de mond. Ze wil wel maar ze duvvert nog niet.

Je moeke en ik spelen het spel mee. Van grenzen die niet scherp zijn, van onzekerheid in jullie eetgedrag, van verwondering en stilte, van trots en liefde.

En ik? Ik lees de wereld. Ik kruip soms in een boek.

Ik zou zo hard willen schudden aan de boom van onrechtvaardigheid op de wereld. Van armoede die groter wordt, van oorlog en kou, van extreem rechtse figuren die geesten ziek maken, van onrustige tijden en kille woorden.

Ik wil wel maar ik duvver nog niet.